Luther en politiek

Interessant is het om door de ogen van Luther naar de politiek te kijken. Luther is mede bekend geworden door zijn twee-rijken leer. Menigmaal is deze leer op een verkeerde manier uitgelegd en gepraktiseerd. Luther onderscheidde het geestelijke regiment (eeuwige rijk van God) van het wereldlijke regiment (tijdelijke ‘aardse’ rijk). Beiden rijken zijn door God gesticht maar hebben andere taken en bevoegdheden. Wellicht kan zijn visie ons helpen om te zoeken naar een manier van christelijke politiek bedrijven. We nemen zijn visie nader onder de loep.

Het eeuwige rijk van God en het ‘tijdelijke’ wereldlijke regiment

Luther is duidelijk beinvloed door Augustinus en zijn ‘De Civitate Dei’. Augustinus tekent in zijn ‘Stad Gods, De Civitate Dei’ de bekende 2 steden-leer. In de stad Gods van de vromen heerst de liefde tot God, in de stad van de ongelovigen heerst eigenliefde en zelfverheffing. In de stad van God heerst tot zelfverachting gaande liefde tot God, in de stad van de ongelovigen tot verachting van God gaande eigenliefde. Augustinus geeft een omschrijving van de stad Gods in de eerste zin van De Civitate Dei:

‘De glorierijke stad van God – zowel hier, in het voorbijsnellen van de tijden, nu die stad tussen de onvromen in den vreemde verblijft, levend uit het geloof, als ook daarginds, in de bestendigheid van het eeuwig verblijf dat zij nu nog in geduldige volharding verwacht, uitziende naar het ogenblik waarop de gerechtigheid tot het oordeel zal overgaan, maar dat zij eenmaal op grandioze wijze zal betrekken, wanneer de uiteindelijke overwinning en de vrede zullen zijn verwezenlijkt – die glorierijke stad van God wil ik met dit werk (…) gaan verdedigen tegen degenen die boven haar stichter hun eigen goden stellen.’


Augustinus plaats de 2 steden tegenover elkaar. Er is geen tussenvorm, geen compromis tussen de stad Gods en de stad van de Satan. Wel zijn beiden rijken in dit ‘aardse’ leven met elkaar vermengd.
Volgens Luther onderscheiden deze twee rijken zich ook door verschillende ‘toebedeelde’ bevoegdheden. Zo heerst in het wereldlijke regiment de wereldlijke/lichamelijke gerechtigheid en in die van het geestelijke regiment de eeuwige gerechtigheid. Het wereldlijke regiment is gesteld onder Gods wet, het geestelijke regiment onder het Evangelie. Het principe van regeren is in het wereldijke regiment dat van heerschappij, in het geestelijke regiment dat van dienstbaarheid. De grondrechten in het wereldlijke regiment zijn die van bescherming van: leven, huwelijk, familie, huis, eigendom, erkenning, opinie, geloofs- en gewetensvrijheid. In het geestelijke regiment is het enige grondrecht het deelhebben aan het kruis en lijden van Christus. De middelen van het wereldlijke regiment zijn die van het zwaard, recht, wet en de macht van het zwaard. In het geestelijke regiment is Gods Woord het enige middel. De goederen van het ‘tijdelijke’ wereldlijke regiment zijn die van tijdelijke vrede, recht en leven en als laatste algemeen belang.

De goederen van het ‘eeuwige’ geestelijke regiment zijn eeuwige vrede en zaligheid. Het doel van de regering van het wereldijke regiment is dat van de instandhouding van de mens en gerechtigheid en vrede; in het geestelijke regiment is dat het eeuwige leven.

Taak van beide regimenten

Het wereldlijke regiment is er volgens Luther om zijn onderdanen te beschermen en diefstal, roof en echtbreuk te bestraffen. Het grote verschil tussen het wereldlijke en het geestelijke regiment is dat het wereldlijke wel onrecht of recht kan doen maar niet de ziel kan schaden. Het wereldlijke regiment kan alleen lijf en goed schaden. De wereldlijke macht is dan ook niet zo gevaarlijk als de geestelijke. De wereldlijke macht heeft niet te maken met de eerste drie geboden van God (Ik ben de Heer uw God, Gij zult geen andere goden hebben, Gij zult geen afgodsbeelden maken, Gij zult de naam van God niet misbruiken) de geestelijke macht daarentegen wel. Verzet is dan ook geboden tegen geestelijke macht wanneer zij geen recht doet. Verzet tegen de wereldlijke macht is daarentegen volgens Luther niet geoorloofd. We hoeven tenslotte niet te geloven wat de wereldlijke macht gelooft. Het recht op verzet houdt in dat we God meer dienen te gehoorzamen dan de overheden. Bij gewetensdwang (met betrekking tot de eerste 3 geboden) van onderdanen gaat de overheid wel haar boekje te buiten.
Belangrijk is ook dat Luther ageert tegen het idee dat de Rooms-Katholieken huldigen dat de kerk boven de staat staat. De beide regimenten (geestelijke en wereldlijke) zijn door God gesticht met eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Het is de taak van de overheid om het kwaad te beteugelen en de vromen te beschermen, dat is haar ambt niet dat van de paus.

Luther en de hedendaagse politiek

Het is voor de christen-politicus van belang te weten dat hij aan beide regimenten toebehoort. Het volledige komen van het koninkrijk van God blijft toekomst , maar wij dienen het voor alles te zoeken (Mat 6:33). In de hedendaagse politiek zouden we volgens Luther juist onze verantwoordelijkheid moeten nemen om als christenen binnen het geestelijke regiment te leven en tegelijkertijd te participeren in het wereldlijke regiment. Strevende naar naleving van Gods wet. De overheid zou ook in onze tijd leven moeten beschermen, gezinnen moeten beschermen en zou zich als hoeder moeten ontpoppen van geloofs- en gewetensvrijheid. Een boodschap die haaks staat op een tijd waarin autonomie van het individu hoger staat dan het recht van het ‘ongeboren’ leven. In een tijd waarin dominees worden afgeluisterd en gemeenteleden worden gevolgd om een verband te ‘zoeken’ tussen preken van een dominee en mogelijke kindermishandeling. Wel wijst Luther ons erop dat het wereldlijke regiment in het niet valt bij het geestelijke regiment. Wellicht zouden we ons dus wat meer zorgen moeten maken over de stand van de Kerk. Daar behoren geen compromissen gesloten te worden maar dient het Woord van God te regeren.

Tot slot

Luther heeft geen scheidingsleer willen maken tussen beiden regimenten. Alsof de christen niets te maken zou hebben met het wereldlijke regiment en alsof de christen zich zou moeten afsluiten van deze samenleving. Wel maakt Luther onderscheid tussen beide regimenten om zo aan te tonen dat beiden verschillende verantwoordelijkheden hebben.

Recensie: ‘Ongeloof en Revolutie, Groen van Prinsterer’

Groen van Prinsterer dient te worden gezien als de grondlegger van de christelijke politiek in Nederland. De antirevolutionaire stroming ontstond naar aanleiding van zijn ideeën ten opzichte van de Franse Revolutie. Zijn denken stond haaks op de publieke opinie van die dagen. Het ongeloof werd door Groen van Prinsterer lijnrecht tegenover het geloof geplaatst. De mens was van God afgekeerd en keek in de afgrond van het ongeloof. Groen van Prinsterer was een gelovige in een tijd waarin moralisme de overhand kreeg. Het was een moralisme dat los van God ging staan, waar de mens wat kon worden. De mens kon zich deugden eigen maken en zich beroemen op deze deugden. Tegenover het ongeloof plaatste hij de radicale boodschap van het evangelie.

Kern van zijn denken in Ongeloof en Revolutie

Niet toevallig heet zijn hoofdwerk dan ook: ‘Ongeloof en Revolutie’. Beide zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De Revolutie is ontstaan door en voortgekomen uit het ongeloof van de mens. Groen ziet hier een causaal verband. De mens dacht de wereld te kunnen herscheppen. De mens dacht zichzelf tot God te kunnen zijn, dacht zichzelf de wet te kunnen stellen. Het is deze omkering van denkwijze waar Groen van Prinsterer tegen ten strijde trekt. De Revolutiebegrippen hebben de overhand gekregen bij deze denkwijze. Groen analyseert een aantal kernbegrippen van het revolutionaire denken nl; volkssoevereiniteit, maatschappelijk verdrag, conventionele herschepping en gelijkheid. De wil van het individu kwam centraal te staan en ditzelfde individu werd losgeweekt van maatschappelijke verbanden. Het individu tegenover de centrale staat. Het ‘maatschappelijk verdrag’ claimde dat de staat was ontstaan door menselijk goedvinden. Dit verdrag was met menselijk goedvinden continu weer aan te passen. Er zit geen rem op de grenzen van het overheidsgezag. Dat terwijl God spreekt over de overheden die van God zijn verordineerd. Overheden die zijn ingesteld, geheiligd en dienares van God dienen te zijn. Er is van menselijk goedvinden geen sprake. Groen van Prinsterer ageerde ook tegen het denken dat zich niets gelegen liet liggen aan de historie. We zien dit bijvoorbeeld in zijn idee van een ‘heersende’ kerk. Door de historie was de hervormde kerk uitgegroeid tot de grote volkskerk en diende daarom aanspraak te kunnen maken op bepaalde voorrechten. Daarnaast hadden andere kerkgenootschappen ook gewoon hun rechten. Zo pleitte hij er ook voor om in Brabant de Rooms-katholieken een dergelijke status te geven. De revolutionairen hekelden de geschiedenis of misbruikte haar voor eigen doeleinden. Stenden (geestelijkheid, adel en burgerij maar ook al wat centraal gezag bezat ten opzichte van de staat) werden afgeschaft. Dit waren verbanden die door de jaren heen organisch waren gegroeid. Juist deze stenden waarborgden de bescherming tegen misbruiken van de staat, nu stond het individu alleen ten opzichte van de centrale staat. Volgens Groen van Prinsterer representeerde het overheidsgezag zich niet alleen in de centrale staat. De overheid zien we ook terug in het gezin, in de kerk, in de stenden en in het onderwijs. Gezag is niet iets waar de centrale staat het primaat op heeft.

Over het boek

‘Ongeloof en Revolutie’ is geen eenvoudig werk. Het zich eigen maken van het gelezene vraagt veel discipline van de lezer. Op iedere pagina worden weer nieuwe inzichten geopenbaard. Het is een boek dat aan het denken zet. Ieder hoofdstuk van het boek was oorspronkelijk een lezing. Deze lezingen hield Groen van Prinsterer binnen zijn vriendenkring. Zijn doelgroep was dan ook de intellectuele elite van zijn tijd.

Relevantie vandaag de dag

Ook vandaag de dag is ‘Ongeloof en Revolutie’ nog van wezenlijk belang voor de christelijke politiek en voor christenen in het algemeen. Groen van Prinsterer is niet van deze tijd maar van alle tijden, dat maakt hem zo belangrijk. Hij zet vraagtekens bij de grondslagen van onze huidige democratie. Hij analyseert de grondbeginselen van de staat, en de historische ontwikkeling van de staten. Niet voor niets zien we dat de SGP, de ChristenUnie en het CDA al dan niet terecht aanspraak maken op de verwantschap met Groen van Prinsterer. Helaas wordt deze relevantie beperkt doordat weinig mensen zich het werk echt eigen maken. De christelijke partijen zijn ver afgedwaald van de principes en beginselen die Groen van Prinsterer zou hanteren. We kunnen dan denken aan de allesomvattende staat, de verhouding kerk/staat en de beperkte mate van zelfstandig gezag naast de kring: ‘staat’. Groen van Prinsterer leefde in een geheel andere tijd dan de onze. De meerderheid van de bevolking was christelijk, de cultuur was doordrenkt met het christendom en refereren aan bijbelse argumenten kon in de politiek nog overtuigingskracht bewerkstelligen. Die tijd lijkt mijlenver achter ons te liggen. We zien dat Groen van Prinsterer zelf ook later zijn standpunten wijzigt bijvoorbeeld inzake de onderwijskwestie. Als hij ziet dat het realiseren van een algemene christelijke school illusionair blijkt te zijn zoekt hij het in de ‘bijzondere’ scholen en de fiscale gelijkstelling van deze scholen. Veelal accepteren christenen en ‘christelijke’ politici klakkeloos de gegeven toestand. Maar de relevantie van Groen van Prinsterer ligt ook daarin dat we dienen te weten waar het huidige staatsgebouw op is geënt. Geënt op het ongeloof en op beginselen die haaks staan op dat wat God tot ons spreekt. Groen van Prinsterer roept ons op om geen lafhartige christenen te zijn. Zelf zegt hij hierover:

‘’Maar indien een jongeman in het prille begin van zijn politieke loopbaan zich tot mij zou wenden om in het antirevolutionaire staatsrecht onderwezen te worden, ik zou aarzelen wat ik moest doen. Ik zou in ieder geval proberen hem van tevoren tot zelfonderzoek te bewegen. Ik zou hem vragen: hebt u de kosten berekend? Bent u tot zelfverloochening bereid? Zo niet, ik zou geen moed hebben nutteloze wroeging te veroorzaken. Maar wanneer ik in hem een edele geest zou ontdekken, een niet alledaagse maatstaf van geluk en eer, ik zou hem toeroepen: laat niets u tegenhouden! Voor u heeft de waarheid voorrechten en genoegens, waardoor het verloren gaan van elke verwachting overvloedig zal worden vergoed.’’

Tot slot

Wellicht is uw interesse voor het boek gewekt. Het zou eigenlijk niet mogen ontbreken in uw boekenkast. In 2008 is er een prachtige hertaling gekomen van Arie- en Roel Kuiper. Deze wordt uitgegeven binnen de serie ‘Klassiek licht’ en is te bestellen via www.nd.nl.

De duivel als briesende leeuw, de ontbrekende nuance!

In bepaalde kringen is er een ongetemde fascinatie voor de duivel. Het gaat om de grote strijd tussen de duivel enerzijds en God anderzijds. We mogen strijden in het leger van de Heer tegen de duivel, de overwinning is zeker. De duivel is het die de zonde bewerkt, de duivel is het die ons altijd wil verleiden.

Het probleem van dergelijke enthousiaste bewoordingen is de ontbrekende nuance. Vaak ook wordt de duivel verbonden aan psychische aandoeningen waardoor de dominee zich gaat opwerpen als veredelde psychiater.

De geestelijke strijd is vaak niet inzichtelijk voor ons mensen. Bescheidenheid is dan ook gevraagd. Wij mensen hebben bar weinig inzicht in Gods plannen en de werkzaamheid van de duivel.  De meeste mensen merken niet de directe aanwezigheid van de duivel. Het wordt een soort must om ook ervaringen met de duivel mee te maken, geloof je anders wel? Het liefst maken we onderdeel uit van het leger van de Heer, zodat we zelf nog wat zouden kunnen worden.

Het blijft ver van de mens af staan, het spreken over de duivel. We vergeten dat het in feite gaat om de tegenstelling: Wij tegenover God. Wij die hem verworpen hebben en de zonde hebben gekozen. Wij die God niet willen dienen, zonder dat God in zijn Woord tot ons spreekt en ons leven vernieuwt in Christus. Romeinen 3 zegt het beter:

Er is geen mens rechtvaardig, zelfs niet één,
11 er is geen mens verstandig,
er is geen mens die God zoekt.
12 Allen hebben ze zich afgewend,
heel de mensheid is verdorven.
Er is geen mens die nog het goede doet,
er is er zelfs niet één.
13 Hun keel is een open graf,
hun tong is bedrieglijk,
achter hun lippen schuilt het gif van een adder,
14 hun mond is vol vervloeking en venijn.
15 Ze haasten zich om bloed te vergieten,
16 brengen ellende en vernietiging.
17 De weg van de vrede kennen ze niet,
18 angst voor God kennen ze niet.’

Het zijn deze woorden die de mens laten beseffen dat redding noodzakelijk is. Het is dat besef wat Christus een ingang verschaft in ons hart. We staan van nature ongekend ver weg van God, maar Christus heeft de relatie willen herstellen. Als we weten dat er geen mens is die God zoekt, als we weten dat ons gevoel ons menigmaal bedriegt en ons wil laten zien wat we willen zien. Dan is de enige zekerheid die we hebben buiten ons. Het is de zekerheid die zich vastklampt aan Gods beloften. Die zijn zeker! Zijn Woord is dan de enige redding voor zondaren.

Wanneer we niet thuis zijn in de Bijbel, wanneer we de duivel aandacht schenken, wanneer we het iedere keer weer zelf willen doen,  wanneer we buiten het Woord om ervaringen willen opdoen,  dan kan de duivel zijn plaats krijgen.

Verwachten dominees, verwachten gemeente-leden nog wat van dat Woord? Verwachten we nog dat God daar door wil spreken? Waar zou God anders door spreken, door niet op het Woord gebaseerde theorieen? Of zijn wij Christenen die met ieder wind meewaaien, niet gegrond in Gods Woord?

Het Christendom en haar publieke aspiraties

Christen-zijn
Als we Christen mogen zijn zullen we beamen dat alle macht van God komt.  Ook zullen we beamen dat God recht heeft op gehoorzaamheid. We zullen de verordeningen van God willen doorvoeren, omdat we geloven dat ze goed zijn voor mens en samenleving.

Christelijke opdracht
Is dit de realiteit? Enerzijds zal de hedendaagse Christen zeggen: ‘het verschil met de Islam is dat wij geen publieke aspiraties hebben’ en anderzijds: ‘wij willen onze opvattingen niet opleggen aan de rest van de bevolking’.

De facto is dit een oneerlijke afspiegeling van hoe God tot ons in de Bijbel spreekt. God heeft recht op gehoorzaamheid, God stelt de overheden aan, heiligt ze en geeft ze de opdracht ‘dienares van God’ te zijn. In die zin willen beiden religies een stempel op het mensenleven drukken.

Huidige realiteit
De grondslagen van onze huidige democratie liggen in de Revolutiebegrippen
(Groen van Prinsterer behandelt ze in zijn ‘Ongeloof en Revolutie’).
Deze grondslagen zijn geworteld in het ongeloof. We kunnen denken aan volkssoevereiniteit (de wil van het volk centraal) en het maatschappelijk verdrag (de staat is ontstaan door menselijk goedvinden). Het zijn problematische beginselen die rechtstreeks tegen de christelijke beginselen ingaan.

Volkssoevereiniteit zet de wil van het volk (als individuen, losgeweekt van ieder verband) centraal in plaats van de wil van God. Het maatschappelijk verdrag stelt dat de staat is ontstaan door menselijk goedvinden. Dit gaat lijnrecht in tegen de gedachte dat gezag (overheid) is ingesteld na de zondeval (denk aan Genesis 3: ‘de man zal over de vrouw ‘heersen’) als gevolg van de val van de mens. Het is dus niet voortgekomen uit menselijk goedvinden maar een instelling van God.  We mogen ons bewust zijn van de breuk die de Revolutie (denkend aan de Verlichting en de daaruit voortkomende Franse Revolutie) heeft gemaakt met het verleden. Maar belangrijker; het ongeloof dat wortel was (en is) van dwaling, willekeur en tirannie.

De rol van de kerk

De staat is een betrekkelijk modern idee, ontstaan na de opkomst van de natie-staten. Het is verwarrend dat men niet over overheid spreekt. De overheid representeerde zich namelijk binnen het gezin, binnen de kerk, binnen de stenden. Deze verbanden bezaten zelfstandigheid ten opzichte van elkaar. De huidige realiteit is die van een allesoverheersende centrale staat. Alles wat zelfstandigheid bezat is ondergeschikt gemaakt aan de almachtige overheid in Den Haag. De overheidsaanspraak is gekaapt door de centrale overheid. Zo is het ook met de Kerk gesteld. De kerk wordt door de staat gezien als hulpverlener en sociaal bindmiddel maar heeft haar zelfstandigheid ten opzichte van de staat verloren. De kerk zou haar ‘overheidstaak’ (zie boven) weer moeten oppakken en de centrale overheid moeten vermanen en terechtwijzen. De kerk is het fundament van de Waarheid (1 Timoteüs 3:15), zij mag dan ook staan op deze Waarheid en deze uitdragen. Dat hoeft niet enkel binnen de kerkmuren.

‘Sterk leraars, sterk onz’ overheid,

In ‘t werk, door u hen opgeleid’

Laf christendom en pseudo-tolerantie

Inleiding

Met de oprukkende Islam en de maar niet stoppende leegloop van de kerken zijn er reele problemen aan de oppervlakte. Problemen die ook de christelijke bevolking zouden moeten aanspreken.De hedendaagse christen tamboereert (samen met de progressief geconditioneerde bevolking) op de trom van godsdienstvrijheid en verkeerd begrepen naastenliefde.Men komt niet verder dan: wij hebben die vrijheid toch ook, dan moeten we die hen ook geven. We moeten niet te snel oordelen over andere religies want ook wij als christenen hebben in het verleden veel fouten begaan.En wat is het toch een zegening dat we zovele dingen gemeen hebben met de Islam op het gebied van normen en waarden.

We moeten onze naaste liefhebben als onszelf en verdraagzaam zijn.We moeten een minarettenverbod in Zwitserland dan ook zwaar veroordelen, moord en brand schreeuwen want het is een mensenrechtenschending. Een dergelijk verbod gaat namelijk in tegen de vrijheid van godsdienst en is een schande voor de Europese beschaving.

Laf en krachteloos christendom

Dat de meeste christenen zich kunnen vinden in de geschetste redenering illustreert in feite de krachteloosheid van het hedendaagse Christendom. De onverschilligheid druipt van de hedendaagse christen af. Als we ontdekt hebben dat je mag geloven dat er voor ieder mens redding van zijn zonden is. Dat er een kruis is opgericht voor zondaren die redding nodig hebben. Dat Hij is gekomen ondanks het feit dat wij hem hebben verworpen. Onverdiende genade voor zondaren. Kunnen we dat dan allemaal buiten beschouwing laten? We hebben het leren kennen als waarheid maar bekommeren ons niet om de mensen die nog geen redding hebben gevonden bij het kruis? We zeggen dat de Islam nog zo verkeerd niet is, we hebben tenslotte zoveel gemeen. We juichen bij die prachtige tolerantie die de ander in de duisternis laat dwalen. We hebben het hier over onverschilligheid en niet over de tolerantie waar men zich zo graag op beroept. Tolerantie komt van het Latijnse woord: tolerare wat verduren, verdragen betekent. Gedogen is vermijdend, tolerantie is confronterend. Bij gedogen zijn de ogen dicht, bij tolerantie zijn ze open. Gedogen is isoleren, tolerantie is het publiek maken. Gedogen is simpelweg een slecht begrepen vorm van tolerantie. Tolerantie begint pas wanneer er in de samenleving meerdere opvattingen heersen en deze met elkaar botsen. Door het in gesprek gaan met elkaar, door het eerlijk zijn ten opzichte van de andere opvatting maar toch met pijn in het hart de andere opvatting verdragen. Een vereiste is dus dat er 2 opvattingen tegenover elkaar staan. Tolerantie doet pijn! Deze pijnlijke religieuze tolerantie moet wel in stand blijven maar moet hand in hand gaan met een verlangen naar een christelijk reveil. In feite is het geen godsdienstvrijheid maar afgodendienstvrijheid. We toleren niet het dienen van God, maar het dienen van de afgod.

Bekritiseer de Islam

Het Christendom is niet gelijk aan andere religies. Het idee van de gelijkheid van religies is er een die voortkomt uit het postmodernisme. Echter, het postmodernisme faalt want miskent dat er een objectieve waarheid is. Een ieder heeft zijn eigen waarheid. Het staat lijnrecht tegenover de exclusieve christelijke waarheid. De Islam is volstrekt onvergelijkbaar met het Christendom. Het is niet discriminerend om te zeggen dat het Christendom superieur is aan de Islam. De waarheid is toch superieur aan de leugen? De Islam is een religie zonder hoop, een religie die ook een verderfelijke politieke filosofie behelst. Een religie die waar zij de overhand heeft gegarandeerd de christen-minderheid vervolgt, martelt en beschimpt. Laat de ‘laffe’ christen in Nederland zich hier maar eens over bekommeren in plaats van heel gemakkelijk meepraten met de massa en te brallen over religieuze tolerantie in ons land. De Islam zelf is geen liefdevolle en gevaarloze religie. De politieke elite omarmt de Islam om hun ‘bezopen’  en ‘mislukte’ ideaal van multiculturalisme in stand te houden. Het Christendom heeft de Rede doorstaan (Verlichting) en staat en heeft opengestaan voor godsdienstkritiek. Het heeft de toets van de kritiek doorstaan. Een gelijke route voor de Islam zou vermoedelijk het einde van de Islam betekenen.

Demonisering van christenen

Kijkend naar de huidige maatschappij waarin er maar marginaal tolerantie is voor christenen zien we het schrijnende gebrek aan christelijk verzet. Waarom verzetten we ons niet tegen de continue demonisering van christenen. Keer op keer denken we onze eigen opvattingen bij te moeten stellen om de discussie aan te kunnen gaan. Ons voor te stellen als gematigde christenen die uiteraard godsdienstvrijheid omarmen als cultureel ideaal, die begrijpen dat onze argumenten niet net zo serieus zullen worden meegenomen als die van de seculieren. Waarom ontbreekt ons de fierheid. Waarom ontbreekt de intellectuele strijd? Waarom kunnen we niet in lijn met Groen van Prinsterer (die vlijmscherp was over het ongeloof) helder zijn. In het publieke domein wordt de ruimte ons meer en meer ontnomen. We dienen continu verantwoording af te leggen. Heeft u ooit een seculier verantwoording laten afleggen van zijn niet te verifiëren vooruitgangsgeloof? Of een liberaal van zijn teruggrijpen op Rawls dan wel Locke? Waarom dienen wij ons dan wel te verantwoorden op ons teruggrijpen op Augustinus, Groen van Prinsterer, Abraham Kuyper etcetera? We hoeven ons niet te schamen voor onze standpunten, de waarheid dient niet verdoezelt te worden

Dan stemmen we in met de woorden van Groen van Prinsterer: ‘’Het is de christen niet geoorloofd in de verdediging van recht en waarheid te verslappen, vanwege schade aan zijn eigenbelang. Zwaar zijn de plichten die de duisternis en het bederf van de tijden oplegt aan hen die het licht en het zout der aarde genoemd worden‘’.

Christelijke politiek en partijdiscipline

Het BinnenhofIn Nederland is de christelijke politiek voorzover we daaronder mogen verstaan de ChristenUnie, het CDA en de SGP georganiseerd in partij verband. Er zijn maar marginaal christenen te vinden binnen de andere op niet-christelijke grondslag gebaseerde partijen. Er is geen helderheid over wat nu de christelijke politiek dient voor te stellen, tenminste niet onder de vertegenwoordigers van de christelijke partijen. We zullen afzonderlijk ingaan op het fenomeen partijdiscpline en het begrip christelijke politiek.

Partijdiscipline

Het valt op dat in Nederland geldt: wat de partij in haar partijprogramma heeft neergelegd en dat wat ze als gedragen gedachtegoed ziet is ontegenzeggelijk belangrijk. Individuele politici kunnen zeer moeizaam onafhankelijk opereren. Individuele politici worden dan wellicht juridisch beschermd voor een gedwongen partijdiscipline middels het leerstuk van last. De kamerleden stemmen immers zonder last, zie art.67 van de Grondwet. De wetgever heeft de gevaren van partij discipline zo het lijkt ingezien aangezien de individuele kamerleden zelfs zonder nog bij de partij te zijn aangesloten, de jaren tot nieuwe verkiezingen mogen volmaken. Zelfs door deze regels voorkomt men de beknellende partij discipline niet. Kamerleden dienen zich te houden aan de partijlijn en het partijprogramma. Het is welhaast onmogelijk om in een debat aan te geven het oneens te zijn met een partijgenoot. Het is dus een must om de partij discipline zo veel mogelijk te voorkomen, dit zodat de regering gecontroleerd kan worden. De fracties van CDA, ChristenUnie en PvdA dienen niet in de achterkamertjes afspraken te maken met de bewindsvoerders. Zij staan los van de regering en dienen individueel het regeringsbeleid te controleren. Dat is ook de manier waarop we de gekozenen het beste kunnen representeren en ons landsbelang het beste kunnen dienen.

Christelijke politiek

Terugkomende op christelijke politiek dienen we te constateren dat we de opdracht hebben meegekregen in alle gezagsfuncties de eer van God te zoeken. Alle gezag is van God en Romeinen 13 spreekt over de overheid als instelling van God. Kuyper zegt: ‘Er is geen enkel terrein in het leven waarvan God niet zegt, het is mijn!’. De overheid is de dienares van God, wat betekent dat we in alles de wil van God dienen te zoeken. De wil van de meerderheid is voor de christen-democraat het hoogste, echter dient de wil van God het hoogste te zijn. Dit betekent niet dat we de Bijbel als spoorboekje dienen te gebruiken voor de overheid. De noties van de Bijbel zijn algemeen en niet specifiek met betrekking tot de overheid. Er wordt van ons verwacht dat we als christen participeren in de politiek.

Vaak wordt de legitimatie van christelijke politiek in twijfel getrokken. Hoe kun je als Christenen jouw religie en voorschriften aan een ander opleggen, zonder dat men als burger daar zelf voor kiest? Het is een breed aanvaarde drogredenering. Iedere politici, al is hij van de PVV danwel van de SP heeft bepaalde ideeen met betrekking tot het goede en het kwade. Deze ideeën wil de partij inzetten en vertegenwoordigen in de politiek. De ideeën zijn niet objectief, ook vallen ze niet buiten de moraal. Het is een merkwaardig misverstand dat liberalen zeggen dat moraal buiten de politiek dient gehouden te worden, dat is volstrekt onmogelijk. Zelfs al zou je alles op zijn beloop laten en nergens in intervenieren als overheid, heb je bepaalde ideeën over hoe je de samenleving zou moeten inrichten die verre van objectief zijn. Blijkbaar stel je dan bijvoorbeeld autonomie van het individu op de eerste plaats.

De christelijke politiek ziet het belang in van het gezin, hanteert het recht op een rechtvaardige wijze en ziet de overheid als een noodzakelijk kwaad. Door de zonde is het nodig dat een overheid het recht handhaaft en haar burgers beschermt. De overheid dient geen allesomvattend verband te worden, een verband dat de taken van de kerk overneemt, de taken van het gezin en de solidariteit (naastenliefde) institutionaliseert.

Het eerste leidt tot een overheid als anonieme hulpverstrekker in plaats van een dichtbij staande kerk, het tweede leidt tot gebroken gezinnen  en het derde zorgt voor het wegebben van ons morele besef en het scheppen van laksheid met betrekking tot onze naaste. Middels het recht dient de overheid het kwaad in te dammen en de bevolking rechtszekerheid te verschaffen voor een werkbare samenleving.

Christenen dienen zich terdege bewust te zijn van de grenzen van de staat. Goede bedoelingen zonder het bewust zijn van de grenzen van staatsfunctioneren zijn verwerpelijk. Als christenen dienen we ons te bezinnen op de taken van de overheid en de samenleving. De verschillende verbanden in de samenleving hebben elk hun eigen structuren.

Terug naar een nachtwakersstaat

conservativeEen gevolg van de grote staat van vandaag de dag is totale verjuridisering van de samenleving. Dat terwijl inner control danwel het gecorrigeerd worden door diegene die dicht bij je staat vele malen effectiever is. Ook heeft deze grote staat desastreuze gevolgen voor ons morele besef naar bijvoorbeeld onze naaste. Eenieder heeft namelijk het recht op leven, een dak boven het hoofd en een uitkering, waarom zouden wij iemand helpen. Zelfs de kerk dient bij hulp vaak door te verwijzen naar de overheid, omdat de overheid de taak van de kerk nagenoeg heeft overgenomen.

Ondertussen krijgt een individu hulp van een grote anonieme overheid waartegen hij geen enkele verplichting voelt. Het ideaal van een nachtwakersstaat zou ik als conservatief dan ook niet per definitie verwerpen, het ideaal zou ik daarentegen het liefst omarmen.

Het lijkt me dan persoonlijk ook verstandig om op te sommen wat er vereist is om een werkbare (en rechtvaardige) samenleving te realiseren naar het ideaal van een nachtwakersstaat. Een aantal vereisten:

- Sociale cohesie in de samenleving

- Sterke, schokbestendige samenlevingsverbanden

- Een samenleving die zich naar de deugden en naar de noties van rechtvaardigheid wil richten

Een conservatief zal beamen en ik met hem, dat dit de buffers dienen te zijn tussen staat en samenleving. Hierdoor is een nachtwakersstaat te realiseren. Echter, nu komen we bij het grote dilemma waar de conservatieven zich voor geplaatst zien. Namelijk; middels de liberalen (die naar eigen zeggen een limited government nastreven) is het gehele maatschappelijke middenveld weggevaagd. Nagenoeg de gehele samenleving is geïndividualiseerd en losgeweekt van de traditionele samenlevingsverbanden. De enige wet die men in feite wil volgen is die van de eigen ‘heilige’ autonome keuze. Veel conservatieven zijn zoals Groen van Prinsterer in zijn tijd zei: ‘inconsequente liberalen’. We zouden dan kunnen denken aan de Neocons in de Verenigde Staten, aan de financieel conservatieven ofwel de liberaal conservatieven (wellicht denkende aan Bolkestein). De samenlevingsverbanden en de sociale cohesie zijn dus nagenoeg verdwenen in onze samenleving. Doordat deze buffers er grotendeels niet meer zijn moeten we niet direct willen streven naar een nachtwakersstaat, dit zou leiden tot de roep om de sterke man aangezien het eerste resultaat anarchie zal zijn.

We moeten daarentegen streven naar het revitaliseren van de samenlevingsverbanden waardoor de buffers tussen staat en samenleving weer worden gecreëerd. Daardoor kan staat zich dan verkleinen. Herstelwerkzaamheden voor de door de liberalen aangerichte chaos.

verstikkend progressief klimaat op de Universiteit

grunIn het bijzonder bij de geesteswetenschappen zien we op de academie een nogal autoritaire en arrogante opstelling ten opzichte van het verleden. Het heden wordt gepresenteerd als een resultaat van een lineaire ontwikkeling die zich continu blijft doorzetten. De geschiedenis is aaneengeregen van onwetendheid en bijgeloof. De rationaliteit wordt steeds meer omarmd en die was in het verleden nagenoeg afwezig. Dit zijn aannames die niet te verifieren zijn en hoe ironisch, ze zijn ook nog eens volstrekt irrationeel. Wie kan er een bewijs geven voor een lineaire ontwikkeling van de geschiedenis naar een paradijs op aarde? Blijkbaar kan men geloof niet wegrationaliseren.

Een ieder heeft in zichzelf een besef van de aanwezigheid van een God, danwel een hoger doel. Bij de faculteit Rechten in het Groningse uit dit kijken met ‘progressieve’ bril naar de geschiedenis zich vooral bij een vak als Staatsrecht. Tijdens de Verlichting ging men de rede omarmen, sloten we een tijd van bijgeloof en onwetendheid af en maakten we stappen vooruit. Rousseau, Locke, Hume, Hobbes en anderen worden uiteraard behandeld. Een kritisch geluid is volstrekt afwezig. En dat terwijl er in de geschiedenis wel degelijk een breedgedragen protest is geweest tegen de Verlichting die zich uitte in de verderfelijke Franse Revolutie. Intellectuelen als Edmund Burke, Von Haller en in ons eigen land Groen van Prinsterer hebben zich met alle macht verzet tegen deze ontwikkeling. Ook worden er op de Universiteit zaken verzwegen danwel onjuist vertelt. Het volk zou in opstand zijn gekomen bij de Franse Revolutie, wat men echter vergeet is dat het gehele proces in gang is gezet door de elite. De elite die zich ging verzetten en die het volk in hun hetze meenam. Dit jaar heeft de faculteit ertoe besloten ook Edmund Burke uit het lespakket te halen. Het betekent dat geen enkele denker meer wordt behandeld die kritisch staat ten opzichte van de Verlichting.

De academie waar men de mond volheeft over kritisch denken en niet zomaar alles klakkeloos overnemen is hypocriet in deze.

De vrijheid van het bijzonder onderwijs

grNadat Groen van Prinsterer, Abraham Kuyper en anderen decennialang hebben gestreden voor de vrijheid van onderwijs staat deze vrijheid vandaag de dag weer ter discussie. De publieke opinie verplaatst zich steeds meer naar de opvatting dat het bijzonder onderwijs zou moeten worden afgeschaft. Redenen voor deze verschuiving zijn; de slechte kwaliteit van islamitische scholen en de hetze van de linkse media. De (linkse) politici sluiten zich bij de media aan (politici zijn vandaag de dag in onze mediacratie bijna per definitie populisten). Zij zien hun utopisch ideaal van een één neutrale openbare school al decennialang gedwarsboomd.Men ziet de kans om nu eindelijk eens een einde te maken aan deze vrijheid.

Wij zouden al sinds de financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs bedrogen zijn, doordat we mee dienen te betalen aan het christelijke onderwijs. Het is een raadsel hoe men dit ‘bedrogen’ wil onderbouwen.Van verdraagzaamheid getuigt het in ieder geval niet en het doet mij vermoeden dat bij christenen meer verdraagzaamheid te verwachten is dan bij de zo ruimdenkende elite. Het ideaal van één openbare school stoelt op de gedachte dat onderwijs neutraal zou kunnen zijn. Alsof we ons als buitenstaander buiten de werkelijkheid kunnen plaatsen.  Los van cultuur, vorming, opvoeding, levensbeschouwing en samenleven. Het is zonder twijfel een utopisch ideaal.

Ook op openbare scholen worden bepaalde kernwaarden meegegeven die volstrekt niet verifieerbaar zijn. Ideeën die de kinderen worden opgedrongen.  Ideeën als:   – Er is geen onderscheid tussen verschillende levensbeschouwingen (er is geen waarheid) – Wanneer je geheel jezelf bent, niet gehinderd door regels kom je tot ware ontplooiing.  Waarheidsaanspraken zijn totalitair en dienen de kinderen te worden afgeleerd (in wezen is deze opvatting in zichzelf totalitair).

Ook ten grondslag aan deze gedachtegang ligt het verstikkende gelijkheidsdenken. Dat gelijkheidsdenken is totalitair omdat ze alleen haar eigen denken wil tolereren. Iedereen dient hetzelfde te zijn, waardoor nivellering op alle gebieden het gevolg is. De samenleving wordt ingericht naar de notie van ‘ behoefte’ in plaats van naar de notie van ‘verdienste’.       Het gelijkheidsdenken schept een maatschappij waar iedereen hetzelfde dient te denken over seksualiteit, religie (geen onderscheid tussen religies), arbeidsparticipatie van de vrouw, de rol en taak van de overheid, medisch-ethische zaken en het ten uitvoer brengen van het geloof in een God.

Men mag dan wel religieus zijn, maar men moet dat wel prive houden en men moet haar levensovertuiging weer kunnen uitdoen als een jas. Het toont aan dat men niets heeft begrepen van het begrip religie. Wie de waarheid heeft ontdekt en God heeft leren kennen als verlosser zal simpelweg navolging willen geven aan de wil van Hem. Ook kan hij dat niet voor zichzelf houden (wat een egoist zou men anders zijn).

Dat dit een discussie op het staatsterrein is zegt iets over het totalitaire karakter van onze staat. De staat dient te controleren op onderwijskwaliteit en zich verder afzijdig te houden van deze discussies. Bij kwalitatief slecht onderwijs dienen scholen gesloten te worden. Overigens is het saillante dat juist de christelijke scholen goed scoren bij onderzoeken naar de kwaliteit van onderwijs. Daar staat de leerling nog centraal, is er aandacht voor het kind en is men opzoek naar de talenten van het kind.

Gelukkig bereikt het verzet inmiddels ook de (linkse) media:      zie

Plasterks degradatie van de universiteit

plasterkWellicht bent u op de hoogte van de plannen van minister Plasterk m.b.t. onderwijs. Volgens Plasterk is het niet meer van deze tijd om het onderscheid te hebben tussen wetenschappelijk en beroepsgericht onderwijs. Vandaar ook dat we beiden met elkaar moeten verenigen. Nu is het natuurlijk lovenswaardig dat Plasterk zich eindelijk weer eens op het beleidsterrein van onderwijs begeeft. Ondertussen was namelijk half Nederland vergeten dat hij ook nog minister was van Onderwijs. Lintjes doorknippen, opkomen voor homo-emancipatie (in feite: acties ondersteunen die destructief zijn voor homo-emancipatie) en een uitgekiend mediabeleid zijn de terreinen waar de gewone burger hem zou plaatsen.

Het onderwijs dat middels cultuurverandering inmiddels vervallen is tot Wikipedia (ja en amen), feel-good en gezagsloos onderwijs maakt van leerlingen kritiekloze burgers. Op de scholen daalt het niveau van onderwijs, op de universiteiten en HBO scholen komen studenten die niet in staat zijn een taaltoets af te leggen (havo 4 niveau). Deze reële problemen zijn in de ogen van Plasterk blijkbaar niet zo relevant.

Terug naar de plannen van Plasterk. Op het HBO zijn de laatste jaren steeds meer eerstejaars die van het MBO afkomstig zijn. Ook op de universiteit zet deze trend zich door (veel eerstejaars afkomstig van het HBO). Het grote gevaar wat hier in schuilt is dat het niveau daalt van de betreffende studie. Normeringen worden aangepast en zo daalt in alle geledingen het onderwijs-niveau. Het is dan ook bizar dat Plasterk deze scheiding wil opheffen, het zou dan kunnen dat een MBO-scholier zich kan aanmelden voor een wetenschappelijke opleiding. Ik hoef u niet uit te leggen dat dit een nogal schadelijke en absurde ontwikkeling zou betekenen.

Plasterk, maak plannen om de reele problemen van het onderwijs vandaag de dag aan te pakken!